De afgelopen tien, vijftien jaar heb ik door naar anderen te kijken vooral veel over mezelf geleerd.
Vol erin
Toen ik begon met ondernemen zat ik er behoorlijk vol in, zullen we maar zeggen.
Werken. Kansen pakken. Geld verdienen en weer uitgeven. Reizen, eten, drinken. Nieuwe ideeën, nieuwe bedrijven, nieuwe plannen.
Niet te lang stilstaan. Gewoon gaan.
Maar gaandeweg begon ik steeds beter naar mensen te kijken.
De ondernemer die ieder jaar weer double digit growth moest realiseren.
Waarom eigenlijk?
De bestuurder die tijdens een vergadering steeds groter leek te worden zodra zijn positie ter discussie kwam.
De projectleider die zijn mannetje moest staan.
De consultant die met veel woorden uitlegde waarom er nóg een analyse nodig was.
En iedereen deed mee.
Ik ook.
Op een gegeven moment begon het me tegen te staan.
Ik dacht steeds vaker:
Mensen, wat zijn we hier eigenlijk allemaal aan het doen?
Waarom moet alles groter?
Waarom moeten we onszelf zo serieus nemen?
Waarom moet het eigenlijk altijd méér?
De andere kant
Dat bracht me behoorlijk naar de andere kant.
Minder podium. Minder consumeren. Minder moeten. Minder behoefte om overal iets van te vinden of ergens vooraan te staan.
Maar daar zat ook een keerzijde aan.
Want als je lang genoeg afstand neemt van alles wat je overdreven vindt, kun je zelf ook een beetje op slot raken.
Mijn verwondering over wat ik in organisaties zag, ben ik uiteindelijk gaan onderzoeken.
Mijn promotieonderzoek heeft die verwondering niet opgelost :-)
Maar er is wel iets veranderd.
Minder snel oordelen
Ik heb minder behoefte gekregen om er meteen een oordeel over te hebben.
Die ondernemer die groei wil?
Misschien is dat precies wat zijn organisatie nu nodig heeft.
Die bestuurder die stevig positie kiest?
Misschien moet iemand dat op dat moment doen.
Die consultant die voor de derde keer dezelfde vraag stelt?
Misschien moet die vraag inderdaad drie keer worden gesteld voordat er werkelijk iets verandert.
En soms ook niet.
Ik moest daaraan denken toen ik onlangs weer iets over Plato’s Gorgias hoorde. Daarin discussiëren Socrates en Callicles over wat een goed leven eigenlijk is.
Socrates pleit voor maat en zelfbeheersing. Niet ieder verlangen hoeft meteen bevredigd te worden.
Callicles vindt dat juist een benauwd bestaan. Volgens hem houden mensen hun verlangens vooral klein omdat ze niet sterk of moedig genoeg zijn om voluit te leven. Wie werkelijk vrij is, laat zijn verlangens groeien en zorgt ervoor dat hij ze steeds opnieuw kan bevredigen.
Socrates drijft dat idee vervolgens heerlijk op de spits:
Is het gelukkigste leven dan dat van een vogel die tegelijk eet en zich ontlast?
Met andere woorden:
Moet alles voortdurend blijven stromen, zodat er altijd ruimte ontstaat voor nóg meer?
Een paar jaar geleden zou ik waarschijnlijk hebben gedacht dat één van de twee gelijk moest hebben.
Beide bewegingen
Nu denk ik steeds vaker dat het leven beide bewegingen nodig heeft.
Vol erin kunnen gaan.
En kunnen stoppen.
Willen groeien.
En genoeg kunnen zeggen.
Jezelf laten zien.
En naar de achtergrond kunnen verdwijnen.
Misschien zit mijn grootste verandering van de afgelopen jaren daarom niet in wat ik van ondernemen, strategie of consultancy ben gaan vinden.
Maar hierin:
Ik hoef er niet meer zo snel iets van te vinden.
Ik kan beter kijken naar wat er op dat moment nodig is.
En misschien zie ik daardoor niet alleen anderen, maar ook mezelf iets beter.