Misschien móét dit inderdaad gewoon gebeuren.
Ik heb een klassieke haat-liefdeverhouding met technologie.
Ik gebruik AI veel. Ik vind het briljant. En tegelijk kijk ik soms naar wat er aankomt en denk ik:
Oh jee… dit gaat echt gebeuren, hè?
Decennialang doen we in organisaties eigenlijk hetzelfde.
Efficiënter. Sneller. Meer output. Minder gedoe.
We optimaliseren processen, systemen, organisaties en uiteindelijk ook mensen.
En jarenlang hebben we ons aangepast aan wat technologie ons beloofde: gemak, verlichting, schaalbaarheid, hogere productiviteit en meer winst.
Deels is dat natuurlijk ook gelukt.
En nu hebben we AI.
Niet als schurk. Niet als verlosser. En ook niet als Terminator.
Eerder als de braafste en meest irritant consequente slimme leerling van de klas die zegt:
"Prima. Ik doe precies wat jullie al die jaren wilden. Maar dan écht. Tot het einde."
Geen ego. Geen behoefte aan status. Geen koffiepauze. Geen maandagmorgen. Geen "ja, maar".
Gewoon optimaliseren.
24/7.
En wat de afgelopen tijd vooral duidelijk wordt, is hoe snel dat ineens concreet wordt.
AI-agents kunnen inmiddels zelfstandig taken uitvoeren, informatie verzamelen, agenda's beheren, mails verwerken, analyses maken, software bouwen en onderling werk verdelen.
Organisaties bouwen digitale medewerkers.
Big Tech investeert honderden miljarden in chips, modellen en datacenters.
Machines worden steeds beter en relatief goedkoper.
Wij mensen niet.
En misschien maakt AI daarmee vooral zichtbaar wat zich al veel langer ontwikkelt.
Werk verliest langzaam iets van zijn vanzelfsprekendheid.
Tegelijkertijd worstelen steeds meer mensen met stress, vermoeidheid en de vraag wat hun werk eigenlijk nog betekent.
We hoppen van project naar project. Van Teams-meeting naar Teams-meeting. Van reorganisatie naar transformatie naar het volgende veranderprogramma.
Veel contacten. Veel activiteit. Veel output.
Maar soms ook een merkwaardige leegte.
Technologie is volgens mij niet de boosdoener.
Maar wel een katalysator.
Ze versnelt iets wat al gaande was.
Oké. En nu?
Misschien moet deze hele efficiëntielogica eerst maar eens worden afgemaakt.
Misschien moeten we alles zó goed optimaliseren dat er uiteindelijk bijna niets meer te optimaliseren valt.
Tot steeds meer werk door machines kan worden uitgevoerd.
Tot de volgende efficiëntieslag nauwelijks nog iets oplevert.
En tot we collectief een keer in de spiegel kijken en denken:
"Top. Alles is geoptimaliseerd. En nu?"
Stel, heel hypothetisch, dat arbeid op termijn voor veel mensen grotendeels optioneel wordt.
Dat een vorm van basisinkomen normaal wordt.
Dat pensioen zoals wij het kennen ooit iets wordt waar onze kleinkinderen met verbazing naar kijken:
"Dus jullie werkten veertig jaar en mochten daarna stoppen?"
En dan?
Ik denk niet dat onze menselijke verlangens daarmee ineens verdwijnen.
Statusdrang verdwijnt niet. Jaloezie verdwijnt niet. Mimetische begeerte — verlangen naar iets omdat een ander het heeft — verdwijnt al helemaal niet.
Het decor verandert alleen.
Nu vergelijken we functies, salarissen, auto's, huizen en carrières.
Straks misschien vrije tijd, ervaringen, huizen, reizen, volgers, toegang, gezondheid of wie de beste AI voor zich heeft werken.
Niet omdat we het nodig hebben.
Maar omdat iemand anders het heeft.
En misschien is dát wel een veel interessantere vraag dan hoeveel banen AI precies gaat vervangen.
Waaraan hangen we straks onze identiteit op als werk dat steeds minder vanzelfsprekend doet?
Waar halen we betekenis vandaan?
Waar organiseren we ontmoeting?
Waar voelen we verantwoordelijkheid voor?
Waar horen we bij?
Want acht uur per dag ergens verschijnen deed natuurlijk veel meer dan alleen inkomen produceren.
Het gaf ritme. Status. Contact. Erkenning. Frustratie. Vriendschappen. Rivaliteit.
Een reden om 's ochtends op te staan.
En soms zelfs betekenis.
Als technologie een deel daarvan wegoptimaliseert, moeten we misschien niet alleen nadenken over wat machines van ons kunnen overnemen.
Maar vooral over wat we helemaal niet wíllen optimaliseren.
Misschien zit daar zelfs een onverwachte rol voor AI.
We gebruiken technologie nu vooral om meer te kunnen.
Sneller. Groter. Persoonlijker. Nog beter afgestemd op wat we verlangen.
Maar stel dat we AI ook eens de tegenovergestelde opdracht geven?
Niet: "Help mij méér te krijgen."
Maar: "Help mij zien wanneer het genoeg is."
Niet: "Hoe win ik deze race?"
Maar: "Waarom ren ik eigenlijk?"
Niet nóg slimmer onze begeerte voeden, maar ons helpen herkennen wanneer we elkaar alleen maar achternalopen.
Misschien is dat uiteindelijk een veel interessantere toepassing van intelligentie.
Niet alles wat kán worden geoptimaliseerd, hoeft te worden geoptimaliseerd.
En misschien ontdekken we dat pas als we er bijna mee klaar zijn.
Top. Alles is geoptimaliseerd.
En nu?